|
Wetenschappelijk
onderzoek
De nulmetingen bij zowel de kinderen van de
pilotschool als bij de kinderen van de controlegroep zijn in juni/juli 2010 door de studenten
van de Radboud Universiteit Nijmegen
gedaan.
Verder werden er voor het onderzoek de resultaten
van de CITO-toetsen en de gegevens uit het leerlingvolgsysteem geraadpleegd. Ook hebben de
leerkrachten een uitgebreide vragenlijst m.b.t. de sociaal-emotionele ontwikkeling van de
kinderen ingevuld.
Op maandag 13
september 2010 zijn de kinderen door een groep optometristen, gespecialiseerd
in binoculair zien, getest.
In mei 2011 werden deze tests
herhaald bij zowel de onderzoeks- als de controlegroep. De resultaten van het onderzoek
worden medio augustus 2011 verwacht.
De studenten van de Radboud Universiteit
Nijmengen hebben hun scriptie over de eerste bevindingen t.a.v. de nulmetingen
geschreven en de belangrijkste resultaten van het onderzoek er in
verwerkt.
Enkele citaten uit de scriptie "Motoriek van
kleuters; Beschrijving van het niveau van motorisch functioneren van de onderzoeksgroep", Chantal
Maas (2010)
Samenvatting: In het kader van een onderzoek naar
de motoriek en eventueel daarmee samenhangend de cognitie, de sociaal-emotionele en de visuele
vaardigheden van kleuters, is een onderzoeksgroep van 106 kleuters gevormd. Het doel van de huidige
verslaglegging was het beschrijven van het motorisch functioneren van de onderzoeksgroep aan de
hand van enkele hypothesen, op basis van afgenomen motoriektests. Daarnaast was het van belang om
uitspraak te doen over de betrouwbaarheid. Om de hypothesen te kunnen toetsen zijn 106 kleuters
onderworpen aan zestien subtests van de motoriektests BFMT en Movement-ABC. Uit de analyse zijn
enkele significante effecten komen rollen: De controlegroep bleek beter te scoren op de
Movement-ABC dan de experimentele groep en meisjes bleken beter te scoren op zowel het
kwantitatieve deel van de BFMT, het kwalitatieve deel van de BFMT als de Movement-ABC dan jongens.
Een belangrijke conclusie die volgde uit testresultaten is dat de kleuters beneden de maat
scoorden. Het advies is dan ook om in de kleuterklassen meer tijd in te bouwen voor kleuters om hun
motoriek te oefenen en zo hun ontwikkeling te stimuleren. (p2)
Implicaties voor de praktijk. Waarschijnlijk is
de belangrijkste en wellicht meest schokkende conclusie die getrokken kan worden uit bovenstaande
resultaten dat kleuters over het algemeen benedengemiddeld scoren op de motoriektest en volgens de
testresultaten een matige fijne en grove motoriek bezitten. Het zou kleuters enorm goed doen als,
zoals mevrouw Bouwhuis al aangaf, er meer oefenmomenten ingebouwd worden in de kleuterklassen zodat
kleuters hun motoriek kunnen oefenen en de mogelijkheid krijgen om zich te ontwikkelen. Zij zullen
daar waarschijnlijk voordeel van ondervinden op allerlei ontwikkelingsgebieden. Of die laatste
verwachting juist is, zal blijken uit het geplande onderzoek dat in schooljaar 2010-2011 zal
starten. (p16)
Klik hier om de
scriptie van Chantal Maas te bekijken en/of te downloaden Klik hier
om de scriptie van Mieke van Veen te bekijken en/of te
downloaden
In het schooljaar 2007-2008 heeft de Radboud Universiteit i.s.m. Spelen Moet! onderzoek gedaan naar
de relatie tussen motorische ontwikkeling en het leerprestaties. Hieronder geven we een aantal
belangrijke samenhangen, die tijdens dit onderzoek bij 37 kinderen van groep 3 van de basisschool,
gevonden zijn.
Citaten uit de masterscriptie "De relatie tussen motorische, cognitieve en schoolse
vaardigheden; De bijdrage van motoriek aan de
ontwikkeling van een kind" van Eefje van Leeuwen
(2008)
Zo blijkt dat op alle
onderdelen van motoriek een significant verband is gevonden met aandacht. Alle motorische
vaardigheden van de M-ABC hangen samen met aandacht. Dit positieve verband wil zeggen dat hoe
beter de score op motoriek is, des te beter de score op aandacht zal zijn. Er is echter geen
verband te zien tussen de motorische vaardigheden of de totale motoriek met het geheugen.
Zowel bij het korte termijn- als het lange termijn geheugen is er geen sprake van een
verband. Daarentegen is er wel een verband gevonden tussen de motorische vaardigheden en
lezen en spelling. Naarmate de motoriek van het kind beter is, zijn de prestaties op lezen en
spelling ook beter. Het verband is significant voor zowel lezen als spelling. Bij de
schoolprestaties van zowel lezen als spelling is er echter geen correlatie gevonden met het
onderdeel evenwicht. Balvaardigheid en handvaardigheid hebben wel een correlatie met lezen en
spellen (pp.20-21)
Er is een relatie gevonden tussen
aandacht en het volgen van de bal met de ogen wanneer de bal van boven naar onder beweegt, een
rondje draait en bij de totale oogmotoriek. Het zijn negatieve correlaties, dat wil zeggen dat een
kind met een hoger aandachtsvermogen beter presteert op de oogbaltest. Het gaat namelijk om de
gemiddelde regeltijd bij de Bourdon Vos, en lager deze is, hoe beter de aandacht. Kinderen met een
betere oogmotoriek scoren hoger op de test die de aandacht meet. (p. 22)
Ook bij ordenen zijn er verschillende correlaties
gevonden, namelijk bij het volgen van de bal naar boven en beneden, bij een rondje en bij de
totale oogmotoriek. Dat wil zeggen dat hoe hoger de score op de subtest Exclusie was, des te
beter het kind de bal kon volgen. Ofwel hoe beter de oogmotoriek van een kind, des te hoger
de score op Ordenen het behaalde. (p 22)
Mijn onderzoeksresultaten komen overeen met dat van
Dewey et al (2002), namelijk dat kinderen met motorische problemen significant lager scoren
op aandacht en leertests (lezen, schrijven en spellen) dan kinderen die geen motorische
problemen hadden. Dit ondersteunt de gedachte van de Embodied Cognition, namelijk dat
intelligent gedrag ontstaat uit een samenspel van de hersenen, lichaam en wereld. Dat het
brein alleen machteloos is, maar dat het brein samen met het lichaam en de wereld een systeem
vormen. Zo geven Cowley en Spurrett (2003) aan dat er geen sprake is van een aangeboren
spraakperceptie, dat wil zeggen dat er geen speciale taalgenen zijn of genetisch gestuurde
(kritieke) taalperioden voor het verwerven van taal. Volgens Bender (2004) hebben kinderen
met een leerstoornis vaak meer moeite met foneemmanipulatie en deze problemen in het
interpreteren van taal zouden latere leesproblemen kunnen veroorzaken. Nu heeft het onderzoek
uitgewezen dat aandacht, lezen en spelling samenhangt met de motoriek. Het is dus aannemelijk
dat er verder gekeken moet worden bij de ontwikkeling van het kind dan alleen het cognitieve
vermogen. Bender houdt echter in zijn werk geen rekening met de motoriek en de omgeving van
het kind. Hij bekijkt het brein als een los onderdeel van een kind. Dit terwijl er genoeg
aantoonbaar bewijs is dat er samenhang bestaat tussen de motoriek en cognitieve vaardigheden,
zoals taal. Roberts (2002) gaf al aan dat de eerste taal van baby’s lichaamstaal is. Ze
gebruiken wat ze zien, voelen, proeven, en ruiken als boodschappen over henzelf en de wereld
om hen heen. Waarom zou deze manier van de wereld ordenen ophouden naarmate men ouder wordt?
(p 23 ).
Klik
hier om de hele scriptie te bekijken c.q. te
downloaden
De overige scripties zijn te bekijken c.q. te
downloaden door op onderstaande links te klikken
Masterscriptie Marleen Driessen (2008) De invloed van motorische vaardigheden
op leerprestaties
Masterscriptie Inge Straaten (2008) Rekenprestaties: de invloed van motoriek
en executieve functies.
Masterscriptie Ester Goselink (2008) Het verband
tussen motorische en cognitieve vaardigheden en de invloed van
leerkrachtverwachtingen
|